
Toen we drie jaar geleden hier voor het eerst waren om ons huis te bekijken, zijn we naar Varennes gereden om daar de plaatselijke kroeg te testen. In deze kroeg ontmoetten we toen 'Popeye'.
Onze Popeye is een kleine gedrongen man, een gebroken neus (zo te zien aan de knik) met korte armpjes en beentjes, maar wel zéér gespierd. Toen wij hem zagen, had hij zelfs een gestreept T-shirt aan dat nét te strak om zijn spierballen zat gespannen. Het is een type dat als je hem niet kent, je liever niet in een donker steegje tegen wilt komen.
Een half jaar geleden zagen we hem weer. Toen Mark 's morgens bij de bakker naar buiten kwam, stond hij ineens bij onze auto. Hij wilde een lift naar Apremont (op weg richting Châtel). Om half acht 's morgens vertelde hij -al ruikend naar de drank en dat dan weer gecamoufleerd door een overdaad aan goedkope aftershave- dat het niet aan hem, maar aan de gendarme lag dat hij geen rijbewijs meer had en dat hij dus genoodzaakt was tot liften. Sinds hij weet dat we met enige regelmaat naar Varennes rijden, zien we hem tegenwoordig bijna wekelijks. Donderdag reed hij met me mee naar de supermarkt, toen ik o.a. spinazie ging kopen. Ik heb hem maar niet gezegd hoe we hem noemen, maar ik vergat door het geklets wel waar ik voor kwam. Dankzij Popeye had ik dus alle boodschappen, behalve de spinazie!